Brief aan Openbaar Ministerie (Parket)

                                                                                                                                 Apartadó, 7 augustus 2013

Mr. Carlos Andrés PACHECO BENAVIDES

Criminalistiek onderzoeker II

Technisch Onderzoekscorps

Carrera 99 No 96-35 Apartacentro Kantoor 606

Tel. 8281354

Apartadó Antioquia

 

Ontvang een beleefde groet.

 

Onze Vredesgemeenschap ontving uw boodschap via mail op 31 juli laatstleden. Hierin verzoekt u dat onze vroegere Wettelijk Vertegenwoordiger , Jesús Emilio Tuberquia, zich zou aanmelden bij het parket om de omstandigheden van de veronderstelde “aanklachten” die door ons zouden gedaan zijn  over feiten die voorgevallen waren op 25 april 2011 en op 27 juni 2012 aan te vullen.

 

In verband hiermee veroorloven we het ons het volgende te verklaren:

  1. Het is reeds verschillende jaren dat onze Vredesgemeenschap afzag van het presenteren van aanklachten bij het Parket en bij de Procureur. We kwamen tot deze beslissing door vast te stellen dat honderden aanklachten die voorgelegd werden gedurende vele voorafgaande jaren, in de plaats van iets van gerechtigheid te bereiken, veroorzaakten ze nog grotere vervolging tegen leden van onze Gemeenschap en lieten ze de verschrikkelijke misdaden waarvan wij slachtoffers werden in  absolute straffeloosheid en de onderzoeken zelf, in de mate we er kennis van hadden gekregen, onthulden afschrikwekkende niveaus van corruptie in de gerechtelijke en disciplinaire apparaten en maakten de schending en het over boord gooien van alle geldende principes van het rechtspreken, zoals ze geformuleerd werden in de Nationale Grondwet en in de desbetreffende wetgevingen en in de heersende normen van internationale verdragen die door Colombia werden ondertekend,  overduidelijk.

 

Zelfs Internationale Commissies die ons bezochten ter gelegenheid van enkele van de meest schokkende episodes van de Genocide waaraan wij werden onderworpen, zoals de delegatie MEDEL (Europese Magistraten voor Democratie en Vrijheden), waren erg pessimistisch in hun verslagen over de mogelijkheden om gerechtigheid over zulke gruweldaden te bereiken in Colombia, na op nationaal niveau het bankroet van de Colombiaanse justitie te hebben geëxploreerd.

 

In onze tragische Calvarieberg hebben we vastgesteld hoe openbaar aanklagers, procureurs, rechters en magistraten, die de onderzoeken van de duizenden misdaden bedreven tegen ons bepleitten, niet de daders maar wel de slachtoffers aan onderzoek onderwerpen. Met de meest schokkende corruptie manipuleren ze het GETUIGENIS, het enige element waarop zij hun veroordelende of vrijsprekende vonnissen steunen, en hun dossiermappen zijn overspoeld met valse getuigenissen, alle bewijslast gooien ze op de slachtoffers en alle speurwerk naar de daders gaan ze uit de weg. Ze treden alle bewijscriteria die vastliggen in de geldende wetgevingen met de voeten. Ze treden op en ze opereren met evidente ideologische en politieke scheefheid, met een absoluut gebrek aan onafhankelijkheid tegenover de instellingen van dezelfde Staat, wiens verantwoordelijkheid in de misdaden vandaag de dag onbetwistbaar is. De facto miskennen ze de angstaanjagende contexten van tot slachtoffer maken van de meest kwetsbare lagen van de boerenbevolking en hierdoor schenden ze de normen die hen verplichten met deze contexten rekening te houden. Dit alles maakt hun willekeur en partijdigheid, die de operatoren van het gerecht niet schijnen te zien, overduidelijk. Want ze zitten ingekapseld in een nationale instelling die zulke gedragingen toelaat en die geen controlemechanismen had om zulke corrupte te vermijden.

 

  1. De voorafgaande redenen en ervaringen plaatsten ons voor ernstige morele beletsels om een beroep te doen op de heersende juridische en disciplinaire apparaten en daarom  hebben we reeds sinds verschillende jaren beslist geen verdere verklaringen meer af te leggen noch enige medewerking te verlenen aan de gerechtelijke processen die aan de gang zijn.  Ondersteund door grondwettelijke principes deden we veeleer een beroep op het Recht op Petitie om van het Staatshoofd te eisen dat hij administratieve maatregelen zou nemen die de misdadige acties tegen ons zouden verhinderen en herstellen. Het zijn maatregelen die de Grondwet zelf oplegt aan de President als onontkoombare verplichting ter verdediging van de slachtoffers van ernstige schendingen van hun rechten. Spijtig genoeg heeft het Staatshoofd door het miskennen van zijn grondwettelijke verplichtingen evenmin willen optreden. Tegelijk hebben we een beroep gedaan op internationale gerechtshoven, wiens jurisdictie Colombia aanvaard heeft door middel van internationale verdragen, om gerechtigheid te eisen in ons geval. Misschien zijn wat gij, Mijnheer de Openbaar Aanklager, onze “aanklachten” noemt afkomstig van  officiële brieven van het Kantoor van de President of van internationale organismen via het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Maar wij zelf waren geen “aanklagers”, omdat ethische geboden ons verhinderen een beroep te doen op het van kracht zijnde gerechtelijk  apparaat.

 

  1. Enkel het Grondwettelijk Hof heeft onze tragedie begrepen en heeft door middel van vonnissen en resoluties, geëist  dat elementaire grondwettelijke principes uitgevoerd en gerespecteerd worden. Toen het in december laatstleden Resolutie 164/12 aannam om de uitvoering te eisen van Vonnis T-1025/07, bood onze Vredesgemeenschap haar volledige medewerking aan opdat haar mandaten zouden uitgevoerd worden.  Tussen de mandaten van genoemde Resolutie figureerde het oprichten van een COMMISSIE TER EVALUATIE VAN HET GERECHT, een punt dat onze Gemeenschap had voorgesteld als één van de voorwaarden om opnieuw ons gesprek met de Staat aan te knopen, dat volledig verbroken werd na het verschrikkelijk bloedbad van februari 2005 en de daaropvolgende bezetting van onze ruimtes van leven en vrede door de Strijdkrachten te midden van misdadige kwaadsprekerijen en officiële stigmatisaties. Ofschoon deze Commissie werd opgezet in februari 2013 met de medewerking van alle in de Resolutie beschouwde entiteiten, toch leed haar werking veel belemmeringen en de termijn gesteld door het Hof verstreek zonder ook maar het minste resultaat bereikt te hebben. Het oprichten van deze Commissie was enkel het begin van een proces dat ertoe zou leiden dat de gebreken van het gerecht zouden geïdentificeerd worden en dat wegen ter correctie zouden aangeduid worden, maar haar in werking stellen alleen betekende niet dat de corruptie reeds tot haar einde was gekomen, helemaal niet. We koesteren de hoop dat het Grondwettelijk Hof het proces heropstart, dat naar men verwacht, erg lang zal duren.

 

  1. Nieuwe feiten hebben ons de corruptie, willekeur en bevooroordeeldheid bevestigd waaraan de operatoren van het gerecht in Urabá lijden. Zo houdt, bijvoorbeeld, het proces dat gevoerd werd door Openbaar Ministerie 117 en gevonnist door het Tweede Strafgerechtshof in 2012 en dat zich nu in beroep bevindt bij het Hoogste Gerechtshof van Antioquia geregistreerd als 2012.0492-3, onschuldige personen in de gevangenis, die veroordeeld werden door onvoorstelbaar misbruik van de getuigenis, waarbij een crimineel die verschillende jaren illegaal in de Brigade XVII verbleef, van waaruit hij werd aangezet om op hardnekkige wijze de Vredesgemeenschap te belasteren, de enige getuige ten laste is. Hij opereert via agenten van de inlichtingendienst en veronderstelde gedemobiliseerden die zich baseren op hun onwaarheden. Hierbij wordt druk uitgeoefend op de slachtoffers door de operatoren van het gerecht om valse tenlasteleggingen te accepteren. Hierbij wordt geweigerd te luisteren naar hen die hen kenden. Hierbij werd het principe “non bis in idem”, “geen twee keer voor hetzelfde”geschonden tegen één van de beschuldigden en er werd geweigerd de medeplichtigheid van het Openbaar Ministerie en van de Ombudsdienst voor de Mensenrechten te onderzoeken in een aanslag tegen de beschuldigden, die aangevallen werden met kogels na één van de hoorzittingen, en ook in de moord op een andere beschuldigde, die gebeurde in zijn eigen gehucht na talrijke doodsbedreigingen. Dat alles toont aan dat de corruptie in de plaats van te stoppen, zich verdiept in het gerechtelijk apparaat van Urabá.

 

Niet minder erg is het blijven voortduren van de stigmatisering, die de vrucht was van de meest onfatsoenlijke en smerigste campagnes van organismen van de Staat, die de onherstelbare nasleep vormde van de duizenden misdaden waarmee ze ons hebben proberen uitroeien, juist omdat ze op perverse en criminele manier behandeld werden door de “informatie”media in hun drang om de slachtoffers systematisch te criminaliseren, maar niet de daders. Daarom verklaarden op 18 april 2013 laatstleden ambtenaren van het Technisch Onderzoekscorps (CTI) in Apartadó aan iemand die dicht bij de onze Vredesgemeenschap staat dat “de Vredesgemeenschap, in het bijzonder San Josecito, de belangrijkste zetel is van de guerrilla.” Criminele affirmaties die de volgende dag op 19 april 2013 herhaald werden door andere publieke dienaars. Op dezelfde manier bevestigde de Openbaar Aanklager Afgevaardigde van de Eenheid Analyse en Context van het Openbaar Ministerie in de bijeenkomst van de Commissie van Evaluatie van het Gerecht op 20 mei laatstleden in aanwezigheid van afgevaardigden van hoog niveau van Staatsinstellingen: De Nationale Directrice van  Openbare Ministeries, de Openbaar Aanklager coördinator van de  groep Mensenrechten, de Hoge Raad van de Rechterlijke Macht, de Ombudsdienst voor Mensenrechten, het Ministerie van Justitie en het Recht en in aanwezigheid van vertegenwoordigers van de Vredesgemeenschap het slechte imago van het Parket van Apartadó tegen onze Vredesgemeenschap. Dit laat duidelijk de ontbinding zien van het Parket als instelling door niets te doen om deze vervolging die reeds jaren loopt tegen de Vredesgemeenschap te verhelpen. Dit geeft ons de reden om geen beroep te doen op deze instantie.

 

We hopen, Mijnheer de Openbaar Aanklager, dat ge onze redenen en morele beletsels die we hebben om ons te presenteren om verklaringen af te leggen, begrijpt. We kunnen niets minder doen dan de afgrond van corruptie en straffeloosheid die ons verwoeste land overspoelt beklagen en betreuren. Moge God willen dat deze duistere nacht ooit ten einde loopt.

 

Hoogachtend,

 

Vredesgemeenschap van San José de Apartadó

http://www.cdpsanjose.org