De agressie waarvoor de straffeloosheid borg staat rukt verder op

Opnieuw ziet de Vredesgemeenschap van San José de Apartadó zich genoodzaakt voor het land en de wereld getuigenis af te leggen over alle barbaarsheid  waaraan wij dagelijks onderworpen worden door deze Regering met haar paramilitaire structuren.

Elke keer meer is onze Vredesgemeenschap onderworpen aan pogingen van uitroeiing vanwege een Staat die voortdurend strategieën geprobeerd heeft , reeds 20 jaar lang, om ons van hun wegen te plukken. Een om dat te bereiken heeft hij zich bediend van paramilitaire structuren die nauwe banden onderhouden met zijn Strijdkrachten, die tussen veel andere misdaden,  de  fysische eliminatie van onze leden en van de boerenbevolking uit onze omgeving  op het oog hebben.

Noch voor de nationale regering, noch voor de lokale bestuurders,  zoals de gouverneur van Antioquia, bestaan er vandaag paramilitaire structuren en zo hebben ze het herhaalde malen duidelijk gemaakt in de massacommunicatiemedia. Voor ons  daarentegen, die op het platteland leven en die dagelijks aan die criminele structuren, die overduidelijk steunen op de tolerantie, toestemming,  collaboratie,  eenheid van actie en solidariteit van de officiële instellingen,  het hoofd moeten bieden  bestaan ze wel en het paramilitarisme overheerst en onderwerpt de boerenbevolking aan zijn projecten en hieraan is geen twijfel mogelijk omdat het dagelijkse lijden onder hun dwang ons met alle ruwheid opgelegd wordt.

De laatste dagen deden zich nieuwe feiten voor waarvan we getuigenis afleggen voor het land en de wereld:

Bovenop hetgeen werd aangeklaagd in onze getuigenis van 22 december, waarin we het plan dat onthuld werd door de paramilitair Isaías alias ‘Malaca’ in de huizen van San José, publiek ter kennis hebben gebracht, volgens hetwelk ze Germán Graciano (Wettelijk Vertegenwoordiger van onze Gemeenschap) gingen vermoorden en de misdaad, die reeds overlegd was met de 17-de Brigade, in te pakken in een diefstal van geld om het voor de media te manipuleren als een overval, een libretto dat ze probeerden uit te voeren op 29 december ll., hebben we andere onthullingen geëvalueerd, die rond dezelfde dagen van de week van 20 december de Vredesgemeenschap bereikten, zoals wat beweerd werd door de paramilitair alias ‘Elías Idaldo’, die tweemaal probeerde binnen te dringen in de nederzetting van San Josecito, volgens dewelke er een plan van de paramilitairen bestond  om de nederzetting van San Josecito  binnen te dringen en er een bloedbad aan te richten en het doen voorkomen als een roofpoging.  Dit toont aan dat het crimineel plan gedetailleerd werd gepland en dat ze zullen blijven proberen om het te realiseren, vooral als de medeplichtigheid van de Strijdkrachten wordt vastgesteld door hun niet-optreden tegenover de invasie van de paramilitairen in de zone.  Als de medeplichtigheid van het gerechtelijk apparaat wordt vastgesteld bij het onmiddellijk vrijlaten van de daders en deze van het departementsbestuur bij het lanceren van een zo valse en groteske versie, zoals die van de Gouverneur van Antioquia  van de 2-de januari, bij de massamedia, die probeerde onze tot slachtoffer gemaakte Gemeenschap te stigmatiseren en de daders te bekleden met een dekmantel.  Bovendien als dit plan geconfronteerd wordt met de verklaringen van de Minister van Defensie, die ontkent dat de moorden op sociale leiders beantwoorden aan een plan van vervolging, dan kan men besluiten, dat  men nu van de militaire brigades en van hun paramilitaire armen een planning eist die de misdaad voorafgaat, zodat op het voorplan een drijfveer van gewone misdadigheid verschijnt of dat van interpersoonlijke conflicten bij de aangevallen organisaties of van sentimentele conflicten die’ rokkenjagerij’ genoemd worden.  De perversiteit van onze Staat kent geen grenzen.

Op dinsdag 9 januari 2018 om 11:30 uur , was een groep van 6 gecamoufleerde en goedbewapende paramilitairen aanwezig in de gehuchten Miramar, Cristalina, La Linda en El Mariano van het district van San José de Apartadó.  Onze Vredesgemeenschap lanceerde een alarmstem via het netwerk, omdat de bedoeling van de paramilitairen was naar onze nederzetting van San Josecito te komen. In de dagen voordien hadden ze ons bedreigingen toegestuurd vanuit het district Saiza (Tierralta, Córdoba) zeggende: “Dit wat gebeurde aan onze kameraden daar in die hoerenjonggemeenschap gaat niet zo blijven, want we gaan er naartoe en we gaan hen een bloedbad aanrichten zodat ze zien dat men met ons niet speelt.” Daar in Saiza brachten ze al hun ‘informatiepunten’ samen en tegelijk ook de burgerbevolking die leeft in de gehuchten van deze sector. Daarom kennen we hun bedreigingen.

Op woensdag 10 januari 2018 werd onze Gemeenschap geïnformeerd over een plan van de paramilitairen in het district van San José de Apartadó, volgens het welke ze een strategie beraamden om onze nederzetting van San Josecito in brand te steken. Hiertoe hebben ze  benzine opgeslagen in grote hoeveelheid.

Op donderdag 11 januari 2018 ’s morgens lanceerde een groep paramilitairen in het dorpscentrum van San José de Apartadó opnieuw bedreigingen tegen leden van de Vredesgemeenschap. Daar beweerden ze dat ze ten allen prijs GILDARDO TUBERQUIA en GERMÁN GRACIANO moesten vermoorden, omdat ze de plannen die het paramilitarisme voor deze regio heeft voorbereid dwarsbomen. 

Op dinsdag 16 januari 2018 rond 11:30 toen een lid van onze Vredesgemeenschap zich klaarmaakte om zijn dochter, die erg ziek was, op te halen in de plaats die bekend is als La Casona, van het gehucht Mulatos, van het district van San José de Apartadó, werd hij onderschept door een paramilitair die hem bedreigde en die hem zei dat hij om geen enkele reden het meisje zou mogen meenemen zonder order van de paramilitairen. Hierop antwoordde het lid van onze Gemeenschap dat hij zijn dochter zou meenemen naar een medisch centrum, omdat ze erg ziek was en dat hij ze nadien terug naar haar moeder zou brengen die in die zone verblijft. Opnieuw repliceerde de paramilitair : “Wat is het dat gij veronderstelt? Gelooft gij dat ge omdat ge van de Vredesgemeenschap bent ge gaat doen waar ge goesting in hebt? Als ge u dapper voelt ga dan en pak heel die gemeenschap mee en neem het meisje mee  als het zo is dat ge een straffe beer bent.”

Dezelfde paramilitair drong de volgende dag (woensdag 17 januari 2018) rond 13:20 uur ons Vredesgehucht Luis Eduardo Guerra binnen in het gehucht Mulatos Medio  en begon er de leden van onze Gemeenschap die daar aan het werken waren te bedreigen. Hij zei hen dat indien de leden van die Vredesgemeenschap erg mannelijk (dapper) waren, ze zouden weggaan en het meisje zouden meenemen vanwaar ze is omdat zij dat niet gingen toelaten. Want dat was een order van El Viejo  die zich daar in La Casona bevond. Daarna ging hij weg van deze plaats. Het meisje was nog erg ziek omwille van het gebrek aan medische zorgen en de paramilitairen staan niet toe dat ze vervoerd wordt om zorgen te verkrijgen. Het is verontrustend dat de ouders het recht niet meer hebben om hun kinderen naar medische centra te brengen omdat deze paramilitaire groepen het verbieden en de kinderen ter dood veroordelen door het gebrek aan medische zorgen. Dit onthult het soort overheersing en uitputtende controle van de bevolking  die het paramilitarisme bezig is in de regio in  te voeren.

In de laatste weken hebben vele personen en groepen uit verschillende hoeken van de wereld sterk geprotesteerd tegen de Colombiaanse Regering omwille van wat voorviel op 29 december , wanneer men verschillende leiders van onze Gemeenschap probeerde te vermoorden, onder hen onze Wettelijk Vertegenwoordiger Germán Graciano. Men deed dus een beroep op een nieuwe poging van verberging die vergezeld werd door nieuwe stigmatisaties tegen onze Vredesgemeenschap.  Deze taak werd toevertrouwd aan de Gouverneur van Antioquia LUIS PÉREZ GUTIÉRREZ in wiens levensloop zo’n verschrikkelijke episodes voorkomen zoals de ‘Operatie Orión’ die in Comuna XIII[1] van Medellín bloedbaden aanrichtte, bombardeerde, folterde en mensen deed verdwijnen en die er in overvloed gerechtelijke montages en willekeurige aanhoudingen opzette, toen hij er het ambt van Burgemeester bekleedde (in oktober 2002).

Op 2 januari 2018 na de handig ineen geflanste ‘Veiligheidsraad’ waarbij militairen en politie informatie aanleverden, lanceerde de Gouverneur LUIS PÉREZ in de media de versie volgens dewelke de daders helemaal geen paramilitairen waren maar wel leden van onze eigen Gemeenschap , in concreto ‘de coiffeur van de gemeenschap’ , die met een kap over het hoofd een winkel van dezelfde nederzetting wilde overvallen. En de Gouverneur besloot dat onze Gemeenschap leugenachtig is en te vergelijken met de mythische figuur van het ‘leugenachtig herdertje’.   Hij liep erop vooruit om te rechtvaardigen dat de Staat niets zal doen om onze Vredesgemeenschap te verdedigen als grote bloedbaden aangericht mogen worden, die aangekondigd worden, omwille van het feit dat volgens hem “de Gemeenschap even leugenachtig is dan het leugenachtig herdertje.”

Veel mensen in het land en in de wereld zijn verontwaardigd en men vraagt zich af waarom een Gouverneur die op deze wijze optreedt geen voorbeeldige straf krijgt. En ze vragen zich af waarom de gerechtelijke ambtenaren die de daders, slechts weinig uren later,  nadat ze overhandigd werden door bemiddeling van een Viceminister van de hoge Regering, vrij lieten niet ontslagen en gestraft werden. In feite zijn we gewoon om te leven te midden van een leugenachtige en criminele Staat  en naast een rechterlijk macht die miljoenen misdaden tegen de menselijkheid in absolute straffeloosheid heeft gelaten en die ondergedompeld is in de meest angstaanjagende corruptie zodat deze abnormale episodes deel lijken uit te maken van het “normale landschap” van deze Staat.

De tolerantie en de coördinatie van de Regering met de Gouverneur PÉREZ GUTIÉRREZ schendt de normen die zijn vastgelegd door het Grondwettelijk Hof in haar Vonnis T-1191 van 2004. Dit Vonnis stelt dat wanneer een mandaatdrager beweert te INFORMEREN , hij dat nooit mag doen op basis van niet geloofwaardige bronnen, want het treedt het recht met de voeten dat erkend wordt in het artikel 20 van de Grondwet “om geloofwaardige en onpartijdige informatie te ontvangen”. En zelfs wanneer hij tracht ZIJN MENING UIT TE DRUKKEN tegenover de bevolking , dan nog mag de vrijheid van mening de noties van waarheidsgetrouwheid en onpartijdigheid die zo belangrijk zijn in de Grondwet  niet overtreden. Dit Vonnis stelt: “… ofschoon in principe het recht van vrijheid van denken geen beperkingen kent, wanneer de uitgedrukte mening gebaseerd is op niet waarheidsgetrouwe feiten dan ontaardt ze door het niet stroken met een interpretatie of een appreciatie van onbetwijfelbare  feiten  of van waarachtig gekende gedachten. En dan veroorzaakt het dus een schending van de rechten op informatie in hoofde van de ontvangers van de mening evenals een eventuele ongerechtigde bedreiging van de rechten op eer en de goede naam van het subject of de subjecten die voorwerp uitmaken van de mening” (Het citeert ook het Vonnis T-1202 van 2000) Bovendien herinnert het Vonnis eraan dat:”de autoriteiten van de Republiek zijn opgericht om alle personen die resideren in Colombia te beschermen , in hun leven, eer, goederen, overtuigingen en in hun rechten en vrijheden, en om het volbrengen te waarborgen van de sociale verplichtingen van de Staat en van de particulieren(…) Bovendien bevestigt dit vonnis dat het alle autoriteiten toekomt ”een positie van garant in te nemen betreffende de fundamentele rechten van alle bewoners van heel het nationale grondgebied, wat maakt dat wanneer ze zich richt tot de burgers ze zich moet onthouden van het uitgeven van elke verklaring of bevestiging die zulke categorie van rechten kwetst of in gevaar brengt. Deze verplichting verkrijgt nog meer gewicht wanneer het gaat over individuen met bijzondere grondwettelijke bescherming zoals mensenrechtenverdedigers, de opnieuw ingeschakelden[2] (in de maatschappij), de door het geweld ontheemden of de leden van Vredesgemeenschappen (Vonnis T-588 van 2003 en T-327 van 2004)die, te wijten aan hun staat van kwetsbaarheid waarin ze zich bevinden, die zich uitdrukt in een hoger niveau van blootstelling aan risico’s van buitengewoon karakter en van bedreiging van hun fundamentele rechten, in het bijzonder van de rechten op persoonlijke veiligheid, op fysieke integriteit en op leven, een speciale behandeling verdienen en de toepassing van versterkte beschermingsmaatregelen “.

Ten aanzien van de mogelijkheid van de overdracht van onjuiste informatie door mandaatdragers,  die de fundamentele rechten van personen en groepen miskent, bevestigt hetzelfde Vonnis dat die informatie het voorwerp moet uitmaken van verschillende controles. Zoals een politieke controle in de schoot van het Congres van de Republiek ; een politieke burgercontrole via burgerinspecties; een juridische controle door middel van strafacties voor laster en smaad; een actie van voogdij wanneer fundamentele rechten worden geschonden; een actie voor internationale tribunalen die opgericht werden ter verdediging van de mensenrechten (cfr. Vonnis T-1191/04, Deel II, Nr. 4.2). Voor het Hof bezitten zulke uitspraken een grotere verzwarende omstandigheid wanneer ze in de massacommunicatiemedia worden uitgesproken: “ met het oog op de grote capaciteit van doordringing in alle sferen van de maatschappij die ze bezitten, op het aanzienlijk aantal ontvangers die ze kunnen bereiken, op de onmiddellijke impact die ze bezitten op de vorming van de publieke opinie en bovendien op de gedragingen en reacties van de individuen, te wijten aan de reflectieruimte van de nieuwsberichten die ze dagelijks ontvangen en aan de minimale verdedigingsmogelijkheden die deze subjecten, die getroffen kunnen worden door de informatie die wordt doorgestuurd,  hebben (…) veroorzaakt het gebruik van deze categorie van media door de President , zoals door om het even welke  bijzondere autoriteit, een grotere verantwoordelijkheid dan die voortvloeit uit het gebruik van andere niet massieve communicatiesystemen” (Ibid. Deel II , Nr. 4.3).   

Als de Regering de Grondwet, de wetten en haar internationale engagementen zou eerbiedigen dan zou ze er niet aan twijfelen om die gouverneur, een echte misdadiger, die zich zelfs beroemt op zulke perverse acties, met onmiddellijk gevolg af te danken. Maar het is zonneklaar dat de Regering zijn misdaden tolereert en beschermt in een context van staatsmisdadigheid van hoog niveau.

Deze episode herinnert ons aan een andere van gelijkaardige verwerpelijkheid toen de Heer SERGIO FAJARDO gouverneur was. Op dat moment dus , in een nauwe eenheid van actie deden militairen en paramilitairen  een jongeman verdwijnen van het gehucht La Hoz van San José de Apartadó. Vier magistraten van het Grondwettelijk Hof confronteerden Fajardo hiermee in Medellín (op 18 setember 2013) om te eisen dat hij moest opreden tegen zulke misdaad tegen de menselijkheid uitgevoerd in zijn ambtsgebied. Het antwoord van Fajardo was  ongehoord: “Ik ben een agent van de Staat en ik ben solidair met zijn gedragingen, waaronder die van de Strijdkrachten; laten we hen het probleem oplossen! (wetende dat leden van de strijdkrachten betrokken waren bij de misdaad)”  Een antwoord dat de magistraten en andere aanwezige personaliteiten met verstomming sloeg.  Het wekt verontwaardiging op te weten dat deze Heer op dit moment aspiraties heeft om President te worden.

Opnieuw is onze Vredesgemeenschap dankbaar voor de grote hoeveelheid ontvangen boodschappen van solidariteit vanuit vele hoeken van Colombia en van de wereld , waarin ze de gebundelde houding van de Staat met de paramilitaire structuren om de uitroeiing van onze Gemeenschap te rechtvaardigen,  afwijzen en veroordelen. Met al die personen, groepen, gemeenschappen, gemeenten, lokale en regionale instanties van besturen en internationale organisaties voelen we ons herkend in enkele ethische en menselijke principes, die vandaag schitteren door hun afwezigheid in de groeiende macht van onze daders die gesteund  worden door onze instellingen die zich valselijk democratisch noemen.



[1] Één van de armste wijken van de stad

[2] Reinsertados: het zijn paramilitairen of guerrilleros die de wapens hebben neergelegd en die terug worden ingeschakeld in de maatschappij