Eens de lichamen en het sociale weefsel vernietigd werden moet ook de herinnering aan de slachtoffers vernietigd worden

Nadat wij,onze Vredesgemeenschap van San José de Apartadó, de 15 jaar van het verschrikkelijk bloedbad van 21 februari 2005 hebben herdacht, een plechtigheid van herinnering waarbij verschillende diplomatieke vertegenwoordigingen uit Europa en van de Verenigde Naties en solidaire groepen uit Colombia ons vergezelden, en nadat we opnieuw de verdorven sfeer voelden, die men kan inademen op de lange en bochtige wegen naar de gehuchten van Mulatos en La Resbalosa, willen we de bezorgdheden die ons bezighouden met het land en de wereld delen.

In de eerste plaats het herleven van de pijn van die barbaarsheid, zoals we elk jaar doen, in de plaats van ons telkens dichter te brengen bij het vergeten, heeft het veeleer het tegenovergestelde effect. Vijftien jaar later, nu de lagere intensiteit van tranen minder het zicht vertroebelt en toelaat met grotere scherpte de structuren die de misdaad veroorzaken waar te nemen, neemt het lijden toe bij de vaststelling dat we onder dezelfde perverse krachten blijven, die op dat moment zoveel gruweldaden bedreven. In al deze jaren zijn er zeker berouwvolle daders van lage rang geweest, die huiveringwekkende bekentenissen hebben afgelegd aan de organen van overgangsjustitie, maar die bekentenissen zelf en de manier waarop die organismen van vermeende “justitie” hun verhalen hebben ontvangen, laten ons nog meer bezorgd achter. Door deze verhalen is het duidelijk dat ex-president Uribe Vélez, samen met zijn omgeving van militaire, paramilitaire en ondernemershiërarchieën, die in nauwe coördinatie opereerden en blijven opereren, de legende verzonnen dat onze ontluikende Vredesgemeenschap een “schuilplaats was voor guerrilleros”. En met deze overtuiging, ondersteund door valse en perverse getuigenissen, ontbrandde de geest van fanatieke gewapende mannen, dorstig naar bloed en gemakkelijk geld, om een gemeenschap van verarmde boeren en vijanden van elk geweld te vernietigen. We weigerden ons in dienst te stellen van een corrupte, gewelddadige en criminele staat, die zijn elitaire, uitsluitende en onderdrukkende karakter steeds mee consolideerde.

In de 23 jaar die voorbijgingen vanaf onze eerste Publieke Verklaring als Vredesgemeenschap, heeft de Staat en zijn legale en illegale wapenbroeders, die openlijk of clandestien gefusioneerd waren,1500 misdaden tegen de menselijkheid bedreven, waarvan de gedetailleerde rapportering zich bevindt in internationale rechtbanken. De enige misdaad die voorzichtig door de tunnels van het Colombiaans gerechtelijk apparaat naar voor werd gebracht, was precies die van het bloedbad van 21 februari 2005, en dit door het werk van solidaire advocaten en burgerlijke partijen. Want voordien reeds genoot, voor onze Gemeenschap, de Colombiaanse justitie niet de minste geloofwaardigheid. Daarom nemen we niet deel als Burgerlijke Partij. Maar dit dossier werd het meest evidente en schandelijkste monument van de straffeloosheid. Want zowel in eerste als tweede instantie werden de criminelen vrijgesproken in totale minachting en bespotting van elke procedurele norm. Uiteindelijk in cassatie gebracht voor het Opperste Gerechtshof, dankzij het werk van eerlijke en erudiete juristen, werden 10 van de daders veroordeeld tot meer dan dertig jaar gevangenis elk. Maar op dat moment reikte de Speciale Jurisdictie voor de Vrede, vrucht van het gedegradeerde en ontaarde “Vredesakkoord”, hen de hand om ze te overladen met voorrechten, in flagrante schending van dezelfde Statutaire Wet van de JEP. Zo stelden de gerechtelijke instanties in dit geval hun hoogste niveau van rottigheid ten toon.

Deze 15-verjaardag van een van de meest afschuwelijke bloedbaden, die hebben geprobeerd ons als Vredesgemeenschap te vernietigen, gebeurde in een context van een campagne van Memoricide1. Al meer dan een jaar heeft de perverse band tussen de nationale en lokale overheid, publieke strijdkrachten, paramilitarisme en Raden voor Gemeentelijke Actie verschillende campagnes georkestreerd om de heiligdommen van de herinnering te blokkeren die onze Vredesgemeenschap heeft gebouwd. Er wordt altijd als voorwendsel aangevoerd, dat de overheid hen een project heeft aangeboden en dat ze dat niet kunnen versmaden, ofschoon het om dit te doen noodzakelijk is om de heiligdommen van de herinnering aan de slachtoffers te vernietigen. In het gehucht LUIS EDUARDO GUERRA van het gehucht Mulatos Medio, is er reeds verschillende jaren een campagne bezig, opdat onze gemeenschap die plaats zou verlaten, de plaats waar onze historische leider Luis Eduardo Guerra en zijn familieleden op 21 februari 2005 werden afgeslacht.

Ze hebben zelfs hun toevlucht genomen tot de gewapende bedreiging en op een gegeven moment wilden ze ons laten geloven dat het uitzettingsbevel afkomstig was van de Onderhandelingstafel van de FARC in Havana, totdat de FARC zelf de versie ontkende en de vermeende guerrillero, die opriep om te “onderhandelen” met wapens in de hand, bestrafte. Later nam de Raad voor Gemeentelijke Actie het vaandel over van de bedreigingen en ze voert condities van het gemeentebestuur van Apartadó over de schenking van een school aan.

Momenteel hebben ze, ondanks onze klachten en protesten, talloze hopen met zand en cement gelost om zogezegde schoollokalen op te bouwen, op de minst aangewezen plaats voor een onderwijsinstelling. Het belangrijkste is voor hen de herinnering van onze slachtoffers uit te wissen en ze willen het doen door de principes van de Gemeenschap met de voeten te treden. Ze hebben geprobeerd om er verkoop van sterke drank, gokken, wedstrijden en hanengevechten op te zetten. Dit wil zeggen amusement dat de waarden van de gezonde samenleving verruwt en met de grond gelijk maakt.

Iets gelijkaardigs is gebeurd in het gehucht La Unión, waar op 8 juni 2000 het leger samen zijn paramilitairen 6 van onze leiders op de meest wrede manier executeerden. Op dezelfde plaats waar hun bebloede lichamen werden achtergelaten, bouwde onze Gemeenschap een fysiek memoriaal vol symboliek. Nu dreigt de Raad voor Gemeentelijke Actie het monument te vernietigen en zij voeren aan dat het gemeentebestuur hen beloofd heeft op dezelfde plaats een sportcomplex te bouwen, wat voor hen prioritair is, terwijl ze tegelijkertijd de absolute minachting uitspreken voor de herinnering van de martelaren.

Wat ons het meest pijn doet in al deze controverses is dat onze burgermaatschappij helemaal haar ethische waarden ging verliezen of verloor. De herinnering aan de slachtoffers heeft geen heilig karakter meer. Wat wel een heilig karakter heeft zijn de kruimels van financiële hulp dat de nationale of lokale Staat hen aanbiedt. Of misschien is het heiligste voor hen de politieke band met de dienstdoende machten. Of misschien is het de sport die opvoedt tot wedijver, die de ziel vormt van de neoliberale maatschappijen, die gevoelloos is voor sociale problemen, want ze maken de egoïstische triomf van de ene over de rest heilig. Of misschien zijn wel het heiligst de ruimtes waar de rituelen van een opleiding worden voltrokken, die elitaire en antisociale waarden doorgeven en die leren met dienstbaarheid onderworpen te zijn aan wat zich presenteert als de laatste mode of als technologieën gecreëerd door moderne imperia.

Maar om ethische waarden te kunnen vertrappen, hebben de verschillende autoriteiten en hun volgelingen zich moeten afkeren van dezelfde wettelijke normen die de Staat, misschien onder druk van internationale humanitaire organisaties, heeft opgesteld en afgekondigd. Inderdaad, in Besluit 1800 van 2011 (regelgevend besluit van de Wet van Slachtoffers), stelde dezelfde regering van toen zeer duidelijke normen vast ter verdediging van de HISTORISCH HERINNERING, die nu door burgemeesters, openbare strijdkrachten, paramilitairen en gemeentelijke raden geschonden worden in hun campagnes van Memoricide. In zijn artikel 170 definieert dit decreet de symbolische reparatie als “handelingen of werken met publieke impact gericht op de constructie of het herstel van de historische herinnering, de erkenning van de waardigheid van de slachtoffers en de heropbouw van het sociale weefsel.” Daarom geeft het opdracht aan de Staatsorganismen overleg te plegen met de slachtoffers over het type maatregelen en “over de plaats waar ze moeten uitgevoerd worden” (Art. 171) Zelfs in artikel 184 geeft het aan het daartoe ingestelde comité opdracht om “herdenkingsevenementen te coördineren, waarin het de gedragingen, die ernstige schendingen van de mensenrechten insluiten, onder ogen ziet, erkent en veroordeelt… en publiek vergiffenis te vragen aan de slachtoffers (…) handelingen bij voorkeur uit te voeren op de plaats waar de slachtoffermakende gebeurtenissen plaatsvonden, waar de slachtoffers zich bevinden die getroffen zijn door de feiten die worden erkend of op de plaats die door dezelfde slachtoffers erkend wordt als toneel waar de schending van hun rechten plaats vond (art. 184, lid 1).

Het artikel 186 bevestigt bovendien:”De historische herinnering is publiek patrimonium(…) Het Centrum van Historische Herinnering zal publieke en private initiatieven ondersteunen die op autonome en onafhankelijke wijze bijdragen aan haar reconstructie. Dit met het perspectief om de waarborgen van niet-herhaling, van verzoening en van duurzaamheid van de erfenis van de sociale ondernemingen van de slachtoffers te verstevigen.” Daarom geeft het volgende artikel (187) de opdracht: “De publieke autoriteiten zullen de resultaten van de processen van historische herinnering die opgebouwd werden in het kader van de Wet 1448/112 niet censureren en ze zullen hun plicht tot historische herinnering vervullen.”

Bij het verwijzen naar de subjecten van collectief herstel definieert hetzelfde decreet in haar artikel 223 deze subjecten als: “groepen,en sociale, syndicale en politieke organisaties en de gemeenschappen die collectieve schade hebben geleden in de termen van het artikel 3 van de Wet 1448/11.” Het artikel 225 verwijst naar hen bij het aanduiden van de doelstellingen van het programma van collectief herstel: “erkenning en in waardigheid herstellen van de tot slachtoffer gemaakte collectieve subjecten. De acties van het programma moeten gericht zijn op het koppelen van de herstelmaatregelen aan erkenning van de slachtoffers, van de schendingen en de impact en de schade in hen veroorzaakt (…) Gericht op de wederopbouw van het sociale en culturele weefsel van collectieve subjecten (… ) Op het opbouwen van de historische herinnering als een bijdrage aan het recht op waarheid waarvan de subjecten van collectief herstel rechthebbenden zijn.”

 

Ook in het decreet 303 van 2015 , met focus op het probleem van de gedwongen verdwijningen, stelt het artikel 53 dat de Nationale Regering tot HEILIGDOM VAN DE HERINNERING moet verklaren: “ de plaats waarvan men vermoedt dat er zich lichamen of resten van de met dwang verdwenen personen bevinden, met inbegrip van de plaatsen die omwille van geografische of topografische voorwaarden onmogelijk maken van opgravingen te doen.” Op deze plaatsen zullen monumenten opgericht worden ter ere van de verdwenen personen. Dit decreet stelt bovendien: verschillende instellingen van de Nationale Regering, de familieleden van de slachtoffers en de gemeenschap: “zullen de kenmerken van het monument, dat zal opgericht worden ter ere van de slachtoffers van gedwongen verdwijning, bepalen op de plaatsen die uitgeroepen worden als Heiligdom van de Herinnering, dat als doel moet hebben de waardigheid terug te geven aan de verdwenen personen en acties te promoten die voldoen aan de plicht van het gedenken.”

 

In het artikel 55 van hetzelfde Decreet wordt verboden: “tussen te komen of de omstandigheden van de Heiligdommen van de Herinnering te wijzigen, behalve in de gevallen waar dit nodig zou zijn voor het uitvoeren van activiteiten van lokalisering of opgraving van lichamen of menselijk resten. Het niet naleven van deze beschikking veroorzaakt de straffen die voorzien zijn in de van kracht zijnde strafwetgeving.”

Indien slechts het vermoeden bestaat dat in die zone het lichaam kan begraven zijn van een vermiste, dan leidt dat er toe dat de plaats als “Heiligdom van de Herinnering”wordt uitgeroepen. Iedereen heeft dan ook door dat de plaatsen, waar er zekerheid is dat daar de slachtoffers werden afgeslacht, met veel meer reden, volgens de geest van de deze wet, worden uitgeroepen als HEILIGDOMMEN VAN DE HERINNERING en dat er niets mag aan gewijzigd worden tenzij voor het in waardigheid herstellen van de herinnering van de slachtoffers.

Deze opsomming van normen die verondersteld zijn van kracht te zijn, toont ons duidelijk het niveau van onwetendheid of van vrijwillige miskenning en minachting die dezelfde autoriteiten in verband hiermee hebben. Dit verwondert ons niet, want gedurende meer dan 10 jaar hebben we ervaren hoe het Grondwettelijk Hof dwingende orders gaf aan de President, aan de Ministers van Defensie, aan de militaire commandanten met de eis dat ze ons de namen zouden doorgeven van wie aanwezig waren op de plaatsen en data van de afgrijselijkste misdaden. En allemaal hebben ze halsstarrig die orders steeds weer naast zich neergelegd, en toch blijven ze beweren “dat dit een Rechtstaat is”. Wat ze pertinent ontkennen met hun handelswijze.

Wanneer we op stap gingen naar het gehucht Mulatos voor de herdenking van de 15-de verjaardag van het bloedbad, volgden de paramilitairen met hun spionnen of “punten” ons langs alle kanten. We konden eens te meer vaststellen dat de regio onder strikte paramilitaire controle staat dank zij de actieve en passieve tolerantie en instemming van alle instellingen van de Staat. De autoriteiten blijven bevestigen dat “het paramilitarisme niet bestaat”. De hypocrisie en het vermogen om te liegen van onze Staat kent geen grenzen. Zo zat op 28 september laatstleden de Commandant van de 17-de Brigade, Kolonel Carlos Padilla een zogezegde ceremonie van goedmaking voor, door een rechtbank bevolen, en gericht naar de familieleden van de slachtoffers van het bloedbad van 21 februari 2005, maar hij erkende niet de enorme criminaliteit van het leger in deze misdaad en evenmin in de overige honderden misdaden van zijn context. Hij zegde: “ Ik verklaar voor waar dat het leger verder zal gaan met de vaste overtuiging de voorwaarden voor vrijheid en democratie te behouden en te waarborgen, wat jullie allemaal als Colombiaans Volk ons vragen.” Een diepe blindheid en een cynisme zonder grenzen verhinderde hem te erkennen dat ze nooit de voorwaarden voor vrijheid en democratie gewaarborgd hebben maar wel al hun tegengestelden: ze hebben genocide gewaarborgd, moorden, verdwijningen, folteringen, verkrachtingen, willekeurige en perverse aanhoudingen, bombardementen, plunderingen, verbranding van woningen en gewassen, ontheemding, gewapende overvallen, diefstallen, laster, campagnes van verdachtmaking en stigmatisering,enz… Bovendien kwalificeerde hij de slachtoffers van zulk gruwelijk Staatsterrorisme als “slachtoffers van het gewapend conflict”, alsof hij vergeten is dat ze juist tot slachtoffer gemaakt werden omdat ze zich opstelden als absoluut vreemd aan het gewapend conflict.

De afgelopen weken werden pamfletten verspreid die de bedoeling hebben bij voorbaat de verantwoordelijkheid van de paramilitairen bij de aangekondigde misdrijven te verbergen of te ontkennen. Men beweert dat het ELN in de zone is aangekomen, wat niet erg geloofwaardig is , en dat andere dissidente groepen van de guerrilla mekaar het hoofd bieden in de zone. Zelfs in de nacht van 18 februari waren er schoten in de huizenblok van San José, onder het mom een bepaalde eenheid van het ELN op de vlucht te jagen. Alles wijst erop dat de paramilitairen proberen spookbeelden te scheppen om hun volgende gewelddadige acties in hun schoenen te schuiven en de aandacht af te leiden van hen zelf.

Onze Vredesgemeenschap wil nogmaals haar dankbaarheid betuigen aan alle personen, groepen en gemeenschappen die vanuit veel hoeken van Colombia en vanuit andere landen ons ondersteunen met hun morele kracht en die zich in deze dagen op speciale wijze toonden, door het bloedbad van 21 februari 2005 te herdenken, in het bewustzijn dat het voor onze Gemeenschap een wonde is die nooit geneest. Aan hen onze welgemeende dank.

 

1 Memoricide = een soort genocide van de herinnering

2 Voluit: de Wet van Slachtoffers en van Teruggave van Gronden