Onbeschaamdheden op weg naar noodlottigheid

Onze Vredesgemeenschap van San José de Apartadó ziet zich opnieuw genoodzaakt om getuigenis af te leggen voor het land en de wereld van de ernstige agressies en schendingen van hun rechten de laatste dagen:

Op zondag 16 september 2018 kwam alias “RENÉ”, ex-strijder van het 58-ste Front van de FARC,  aan bij de eetgelegenheid van Caracolí, erg dicht bij de nederzetting van onze Gemeenschap  van San Josecito.  Ten aanzien van veel getuigen bevestigde hij dat hij begon op te treden als “Paramilitaire Commandant van de zone”.

Op dinsdag 18 september 2018 riepen de paramilitairen een vergadering bijeen in het gehucht La Cristalina en ze eisten van alle families en personen dat ze zich lieten inschrijven zodat zij controle zouden hebben over hun activiteiten. Een jongere van de familie Guisao weigerde zich in te schrijven  en deel te nemen aan de paramilitaire activiteiten en trok zich terug uit de vergadering zodat hij daarna bedreigd werd.

Op donderdag 20 september 2018 bezocht een bekende paramilitair, lid van de familie Cardona van het gehucht La Cristalina, een leider van onze Vredesgemeenschap en hij vertelde hem dat er reeds een onomkeerbare beslissing van de paramilitairen was om voordat het jaar 2018 zou eindigen drie leden van de Vredesgemeenschap te elimineren: GERMÁN GRACIANO, Wettelijk Vertegenwoordiger van de Gemeenschap, GILDARDO TUBERQUIA, lid van de Interne Raad en coördinator van het Vredesgehucht van Mulatos Medio en HUGO ALBERTO MOLINA, lid van de Gemeenschap. Hij bevestigde dat ze reeds intensief inlichtingenwerk gedaan hadden naar hen en dat ze hun werken en hun routes van verplaatsingen kennen, alsook de beschermingsmiddelen waarop ze rekenen.  Dat het enkel internationale begeleiders zijn die geen enkel wapen dragen, “zelfs geen mes”. Volgens de paramilitair zal dat een middel zijn om de Vredesgemeenschap progressief te elimineren.

Dezelfde donderdag 20 september 2018 werd op de weg tussen Apartadó en San José aan een mobiele slagboom de paramilitair JOHN EDISON GÓEZ , alias “El Pollo” (= het kieken) aangehouden. Maar hij werd onmiddellijk vrij gelaten.

Op zaterdag 22 september 2018 riepen de paramilitairen een feest bijeen in het gehucht La Unión, waaraan bekende paramilitairen deelnamen en ze dronken een grote hoeveelheid sterke drank, terwijl ze een huisje improviseerden op het platform waar de kiosk van de Gemeenschap werd opgetrokken, naast het gedenkteken voor de slachtoffers van het bloedbad van 8 juli 2000, waarbij het leger samen met paramilitairen 6 leiders van de Gemeenschap executeerden. Dat werd door de leden van de Gemeenschap gezien als een heiligschennis, want het was een duidelijke profanatie van de gedachtenis van de slachtoffers en een manier om de zaak te vertrappelen waarvoor zij hun leven gaven.

Op zondag 23 september 2018 benaderden verschillende paramilitairen de ruimten van de Vredesgemeenschap in La Unión.

Op dinsdag 25 september 2018 benaderde een paramilitair vergezeld van een onbekende burger de nederzetting van de Vredesgemeenschap van San José de Apartadó. Het betrof een binnendringen dat gezien  werd als spionage, gezien de intense atmosfeer van bedreigingen die men meemaakt. 

In de eerste week  van oktober 2018 verklaarden gekende paramilitairen die aanwezig waren in de huizenblokken van San José, onder hen de gebroeders CARDONA BORJA, aan de bewoners van het district dat de inval en de aanslag van 29 december laatstleden als centraal motief hadden GERMÁN GRACIANO POSSO, de Wettelijk Vertegenwoordiger van de Vredesgemeenschap,  te elimineren.  Ze verklaarden dat  ze GILDARDO TUBERQUIA, lid van de Interne Raad en coördinator van het Vredesgehucht van Mulatos Medio en JESÚS EMILIO TUBERQUIA, de vorige Wettelijk Vertegenwoordiger,  in het vizier hebben.  Ze bevestigden ook dat zij (de paramilitairen) hun netwerken van spionage en van vervolging van wie ze gaan vermoorden geperfectioneerd hebben, opdat ze niet zouden falen zoals op 29 december. Volgens hen hebben ze volk dat zich toelegt op spionage en vervolging.

Op vrijdag 12 oktober 2018 werd in het gehucht La Esperanza, in de ruimte van de Vredesgemeenschap, het lid van de Vredesgemeenschap FRANCISCO LUIS POSADA ÚSUGA dood gevonden. Gezien het vreemde van de omstandigheden van zijn dood[1] vroeg de Gemeenschap door middel van het Kantoor van de Ombudsman voor de Mensenrechten de aanwezigheid van de autoriteiten verantwoordelijk voor lijkschouwing. Maar ze wilden niet komen, want ze voerden aan dat er geen “veiligheidscondities” waren. 

Op vrijdag 5 oktober van “tweeduizend zeventien”sic, in werkelijkheid 2018 werd een vonnis uitgegeven door de rechter MARIELA GÓMEZ CARVAJAL, van het Tweede Gemeentelijk (Promiscuo[2]) Gerechtshof van Apartadó. Hierin “beschermt het de rechten op eer en goede naam van het militair personeel van de Zeventiende Brigade” en gelast het onze Vredesgemeenschap “de gepubliceerde informatie recht te zetten…” in de 8 laatste constancias (getuigenissen/aanklachten) van de Gemeenschap verschenen op haar website. In zo’n antigerechtelijk vonnis komt de rechter ertoe te affirmeren dat de 17-de Brigade “zich in een staat van weerloosheid bevindt” . Ze citeert artikelen van de Grondwet die erop gericht zijn de burgerbevolking te steunen en te beschermen die mogelijk slachtoffer is geworden van het leger zoals het Art.2 dat stelt dat “de autoriteiten van de Republiek in het leven zijn geroepen om de personen die wonen in Colombia te beschermen in hun leven, eer, goederen, overtuigingen en hun overige rechten en vrijheden”. En zoals het Art. 20 dat waarborgt “dat elke persoon de vrijheid heeft om zijn gedachten en meningen uit te drukken en te verspreiden, om te informeren en om waarachtige en onpartijdige informatie te verkrijgen en om massacommunicatiemedia op te richten.” Ze verwijst ook naar het recht op rechtzetting dat op zijn plaats is “wanneer informatie verspreid is die niet met de waarheid overeenkomt.”

Blijkbaar gaf de rechter er geen rekenschap van dat de institutionele  en intimiderende macht  van een gewapend corps , zoals het leger, zich nooit zou mogen confronteren met een gemeenschap die uit zichzelf macht mist, meer nog wanneer ze reeds verschillende duizenden agressies, gewelddaden, vervolgingen en intimidaties door de Staat en door de gewapende corpsen die van staatsbescherming genieten, heeft aangeklaagd . Evenmin houdt de rechter rekening met het feit dat het leger deel uitmaakt van de “autoriteiten van de Republiek”, die in het leven zijn geroepen om de rechten van de burgers te beschermen en niet om ze te schenden.  Evenmin houdt ze er geen rekening mee dat de Grondwet de vrije expressie, informatie,en waarachtige en onpartijdige  distributie garandeert en dat zo ze oordeelt dat ze niet waarachtig of onpartijdig is ze dat moet bewijzen en dat ze zich niet mag baseren juist op de mening van hen die in vraag werden gesteld voor hun ernstige agressies, vervolgingen en hun verzuim met fatale gevolgen.

De rechter bevestigt dat indien de Gemeenschap “zekerheid heeft over de publicaties die ze deed , ze de plicht heeft de overeenstemmende aanklachten in te dienen voor de competente autoriteiten en geen vleugje verdenking en wantrouwen over deze instelling te zaaien bij de burgers.” Alles wijst erop dat de rechter een extreme graad van onwetendheid heeft over wat de “Colombiaanse justitie” is en doet. Hier zou de uitdrukking van Christus tegenover zijn beulen passen: “Vergeef hem Heer, want hij weet niet wat hij doet.” Blijkbaar kent ze de extreme niveaus  van straffeloosheid en van corruptie van het “gerecht” niet,  een situatie die vele rechtschapen gewetens dwingt om niet met haar samen te werken. Bovendien verdenking en wantrouwen zaaien over een instelling  die zoveel mensenlevens heeft vernietigd met zoveel overdreven wreedheid, betekent geen kwaad doen aan de samenleving, wel helemaal in tegendeel: het is opkomen ter verdediging van het  leven en de burgers alarmeren om de vernietiging van meer levens en de miskenning van hun rechten te vermijden. 

Maar als de Rechter iets meer radicaal miskent is het de Verklaring van de Verenigde Naties over het recht van individuen, groepen en instellingen om de universeel erkende mensenrechten en de fundamentele vrijheden te promoten en te beschermen (A/RES/53/144 van 8 maart 1999). In deze Verklaring wordt het recht om zich met niet gouvernementele en intergouvernementele organisaties  te communiceren bevestigd (art. 5 c). Deze zijn juist de bestemmelingen van de Constancias (getuigenissen/aanklachten) van de Vredesgemeenschap. Ook het recht om aan derden opinies, informaties en kennis die verband houden met alle mensenrechten en fundamentele vrijheden te publiceren, te verlenen en te verspreiden wordt geaffirmeerd (art.6 b) en ook dat om te bestuderen en te bediscussiëren of die rechten en fundamentele vrijheden geobserveerd worden , zowel in de wet en in de praktijkom die kwesties aan de aandacht van het publiek aan te wijzen door tussenkomst van die media en de andere geschikte media .(art.6 c) Het stelt bovendien dat “Niemand zal deelnemen - door actie of door verzuiming aan de plicht tot optreden - aan de schending van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden en niemand zal gestraft worden noch vervolgd om te weigeren dat te doen” (art. 10). Het is dit artikel dat de actie en het verzuim van de militairen, die de mensenrechten schenden, veroordeelt en de weigering van de Gemeenschap om medeplichtig te zijn - door het stilzwijgen of het verzuim van de aanklacht –beschermt. Omdat wij bewust zijn en de ondervinding opdeden van de nutteloosheid van de institutionele aanklacht. Dit recht wordt nog meer versterkt door in het artikel 12 te stellen dat “elke persoon het recht heeft, individueel of collectief, op een doeltreffende bescherming van de nationale wetten bij het reageren of zich te verzetten, via vreedzame middelen, tegen activiteiten of daden, met insluiting van de nalatigheden, toerekenbaar aan de Staten, die schendingen van de mensenrechten en van de fundamentele vrijheden veroorzaken, evenals tegen daden van geweld bedreven door groepen of door particulieren die het genot van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden aantasten”.

De niet te rechtvaardigen en enorme onwetendheid van de Rechter GÓMEZ CARVAJAL op het vlak van mensenrechten, zou misschien wat verminderd zijn als ze een minimum inspanning zou gedaan hebben om te achterhalen of dat wat onze Gemeenschap zegde in haar CONSTANCIAS (getuigenissen/aanklachten) waar is of enig fundament heeft.  En indien ze op enigerlei wijze de verschillende vonnissen van het Grondwettelijk Hof ten gunste van de Vredesgemeenschap alsook de Resoluties en de Gerechtszittingen van het Interamerikaanse Hof voor de Mensenrechten en haar oproep tot zorg van de Colombiaanse Staat zou hebben nagetrokken, en indien ze, ook al was het maar oppervlakkig, de Uitspraken  van het Grondwettelijk Hof ten gunste van de Vredesgemeenschap en de afgekeurde ongehoorzaamheid aan de orders van het Grondwettelijk Hof door het Ministerie van Defensie en door de 17-de Brigade zou onderzocht hebben.

Heel deze onwetendheid en irrationaliteit openbaart ons spijtig genoeg de grondige gebreken van een Staat die ondergedompeld is in corruptie en in een massa antimenselijke  praktijken.

Het ergste hiervan is dat, na het aanvallen en het miskennen van zoveel rechten  van onze Vredesgemeenschap gedurende 22 jaar, de Staat nu probeert het recht op het indienen van aanklachten te blokkeren, want het leger met zijn voogdij en de rechter met haar vonnis zeggen in de praktijk : hou op met aanklachten, laat jullie vernietigen; onderhoudt geen communicatie meer met hen die vanuit hun ethische en morele kracht kunnen ondersteuning bieden omdat het gerecht niet werkt.



[1] Achteraf blijkt dat de man gestorven is door een slangenbeet.

[2] Mij ontgaat de juiste betekenis van Promiscous Court